Toets ordening 1e klas
Dierlijke cellen hebben een celwand.
Cellen van schimmels hebben een kern.
Als een cel bladgroenkorrels heeft, dan weet je zeker dat dit een plantencel is.
Als een cel geen celkern heeft, dan weet je zeker dat dit een cel is van een bacterie.
Dierlijke cellen hebben een rechthoekige vorm.
De cellen van schimmels en bacterien zijn precies hetzelfde.
Alle planten hebben bloemen.
Zaadplanten planten zich voort door sporen.
Sporenplanten kunnen stengels hebben.
Wieren zijn planten zonder bladgroenkorrels in hun cellen.
Sporenplanten kunnen wortels hebben.
Wieren gebruiken zaden om zich voort te planten.
Zoogdieren zijn een voorbeeld van een afdeling van de dieren.
Als een dier tweezijdig symmetrisch is, dan weet je zeker dat dat dier een wervelkolom heeft.
Kreeften en wespen behoren tot dezelfde afdeling.
Een zeester is veelzijdig symmetrisch.
Sponzen zijn dieren.
Een skelet van dieren hoeft niet per se uit botten te bestaan.
Geleedpotigen hebben altijd 6 poten
Alle geleedpotigen zijn insecten.
Spinachtigen zijn een klasse van de geleedpotigen.
Geleedpotigen hebben altijd een uitwendig skelet.
De geleedpotigen worden onderverdeeld in 4 klassen.
Op een geleedpotig dier kan je wel op 3 of 4 manieren een spiegeltje plaatsen en dan ziet hij er nog hetzelfde uit.
Gewervelden die geen eieren leggen zijn altijd zoogdieren.
Er zijn verschillende manieren waarop gewervelden ademhalen.
Sommige gewervelden hebben een uitwendig skelet.
Vogels hebben haren.
Amfibieen hebben 1 manier van ademhalen.
Vissen leggen eieren zonder schaal.