Log in
Sign up for FREE
arrow_back
Library

Diagnostische toets Romeinen 1th

star
star
star
star
star
Last updated about 6 years ago
40 questions
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Question 1
1.

Question 2
2.

Question 3
3.

Question 4
4.

Question 5
5.

Question 6
6.

Question 7
7.

Question 8
8.

Question 9
9.

Question 10
10.

Question 11
11.

Question 12
12.

Question 13
13.

Question 14
14.

Question 15
15.

Question 16
16.

Question 17
17.

Question 18
18.

Question 19
19.

Question 20
20.

Question 21
21.

Noem een voorbeeld van culturele eenheid binnen het Romeinse rijk

Question 22
22.

De eenheid en vrede in het Romeinse rijk waren goed voor de _____________

Question 23
23.

Question 24
24.

Question 25
25.

Question 26
26.

Question 27
27.

Question 28
28.

Question 29
29.

Question 30
30.

Maak de zinnen af. De volgende vragen horen allemaal bij dit verhaaltje.
Daarna was Jezus naar de ____________ opgestegen

Question 31
31.

Maak de zinnen af. De volgende vragen horen allemaal bij dit verhaaltje.
Zijn volgelingen noemden hem ________________, de verlosser

Question 32
32.

Question 33
33.

Question 34
34.

Question 35
35.

De Romeinen verboden het christendom omdat;

A de Romeinen verdraagzaam waren
B christenen niet verdraagzaam waren. Ze gebruikten geweld tegen de polytheistische Romeinen
C christenen de Romeinse goden wilden vereren. De god Apollo sprak hen erg aan.
D Christenen rampen konden veroorzaken, omdat ze de Romeinse staatsgoden niet wilden vereren
E De Romeinse keizer zich als een god zag en de christenen hem niet wilden vereren. Dat zou zijn macht in gevaar kunnen brengen

Noteer de 2 juiste antwoorden

Question 36
36.

Vul het juiste jaartal in.
Vanaf _________ mochten christenen geloven wat ze wilden. Er was godsdienstvrijheid.

Question 37
37.

Vanaf ___________ was het christendom de Romeinse staatsgodsdienst

Question 38
38.

Question 39
39.

Question 40
40.

Het volk beslist
A republiek
B democratie
C aristocratie
D monarchie
een kleine groep rijke mensen beslist
A republiek
B democratie
C aristocratie
D monarchie
een staat zonder vorst
A republiek
B democratie
C aristocratie
D monarchie
een staat met een vorst
A republiek
B democratie
C aristocratie
D monarchie
Imperium
A iemand die in dienst van een regering werkt
B hoofd van een provincie of een ander deel van een rijk
C vorst van een heel groot rijk
D een heel groot rijk/ wereldrijk
Ambtenaar
A iemand die in dienst van een regering werkt
B hoofd van een provincie of een ander deel van een rijk
C vorst van een heel groot rijk
D een heel groot rijk/ wereldrijk
Gouverneur
A iemand die in dienst van een regering werkt
B hoofd van een provincie of een ander deel van een rijk
C vorst van een heel groot rijk
D een heel groot rijk/ wereldrijk
Keizer
A iemand die in dienst van een regering werkt
B hoofd van een provincie of een ander deel van een rijk
C vorst van een heel groot rijk
D een heel groot rijk/ wereldrijk
volksverhuizingen
A de cultuur in het Romeinse rijk die door Grieken en Romeinen is beinvloed
B Samenleving van meerdere culturen
C verdraagzaamheid
D migratie van een volk
Grieks- Romeinse cultuur
A de cultuur in het Romeinse rijk die door Grieken en Romeinen is beinvloed
B Samenleving van meerdere culturen
C verdraagzaamheid
D migratie van een volk
tolerantie
A de cultuur in het Romeinse rijk die door Grieken en Romeinen is beinvloed
B Samenleving van meerdere culturen
C verdraagzaamheid
D migratie van een volk
multi- culturele samenleving
A de cultuur in het Romeinse rijk die door Grieken en Romeinen is beinvloed
B Samenleving van meerdere culturen
C verdraagzaamheid
D migratie van een volk
Ons woord keizer komt van de naam
A Augustus
B Caesar
C god
D keizer
E republiek
F senaat
Vanaf Octavianus was Rome geen ______________ meer
A Augustus
B Caesar
C god
D keizer
E republiek
F senaat
Vanaf Octavianus werd Rome bestuurd door een _____________
A Augustus
B Caesar
C god
D keizer
E republiek
F senaat
Octavianus werd _________________ (Verhevene) genoemd
A Augustus
B Caesar
C god
D keizer
E republiek
F senaat
Octavianus stond volgens de Romeinen boven de gewone mensen. Hij was een soort __________
A Augustus
B Caesar
C god
D keizer
E republiek
F senaat
De Romeinen hadden een
A jagers- verzamelaars samenleving
B een landbouw samenleving
C een landbouwstedelijke samenleving
D een stedelijke samenleving
Het tijdvak van de Romeinen heet: het tijdvak van ______________
A jagers en boeren
B grieken en romeinen
C de romeinen
Monniken en ridders
Waarom gaven de machthebbers brood en spelen?
A Er was een overvloed aan brood waar je mee kon spelen
B Er was een overvloed aan brood en daardoor kregen de Romeinen veel energie, zodat ze aan de Olymische spelen konden meedoen
C Om het volk rustig te houden met voedsel en activiteiten
D Theodosius Brood en Constantijn Spelen waren de belangrijkste gouverneurs
Deze periode van eenheid en vrede binnen het Romeinse rijk noemen we
A Imperium Romanum
B Pax Romana
C Anno Domini
D Populusque Romanus
Vul in: Een man uit een overwonnen _1.________________ kon Romeins burger worden door _2. ___________ in het Romeinse3. _____________
Antwoord 1 =
A Soldaat
B Leger
C Volk
Vul in: Een man uit een overwonnen _1.________________ kon Romeins burger worden door
_2. ___________ in het Romeinse3. _____________
Antwoord 2 =
A Soldaat
B Leger
C Volk
Vul in: Een man uit een overwonnen _1.________________ kon Romeins burger worden door
_2. ___________ in het Romeinse3. _____________
Antwoord 3 =
A Soldaat
B Leger
C Volk
Joden en christenen hebben een _____________ godsdienst
A monotheistische
B polytheistische
C atheistische
D godeistische
Romeinen hebben een _____________ godsdienst
A monotheistische
B polytheistische
C atheistische
D godeistische
Maak de zinnen af. De volgende vragen horen allemaal bij dit verhaaltje.
De christenen geloofden dat Jezus uit de _________ was opgestaan
A Bijbel
B Christus
C dood
D hemel
E kruis
F slechtheid
G Apollo
H priester
Maak de zinnen af. De volgende vragen horen allemaal bij dit verhaaltje.
Zijn volgelingen geloofden dat hij aan het _____________ was gestorven
A Bijbel
B Christus
C dood
D hemel
E kruis
F slechtheid
G Apollo
H priester
Maak de zinnen af. De volgende vragen horen allemaal bij dit verhaaltje.
Jezus was gestorven om de mensen te verlossen van alle ____________ in de wereld
A Bijbel
B Christus
C dood
D hemel
E kruis
F slechtheid
G Apollo
H priester
Maak de zinnen af. De volgende vragen horen allemaal bij dit verhaaltje.
Verhalen over Jezus werden later opgeschreven in _______________ (Einde vraag)
A Bijbel
B Christus
C dood
D hemel
E kruis
F slechtheid
G Apollo
H priester
In het Romeinse rijk onstond er een christelijke organisatie: de kerk met bisschoppen en een paus
True
False
De Rijn werd de noordelijke grens van het rijk, de limes en de Romeinen sloten een bondgenootschap met de Bataven.
True
False
Vanaf de 3e eeuw drongen Germaanse stammen het Romeinse rijk binnen en in 576 kwam een eind aan het West- Romeinse rijk
True
False