Persoonsvorm verleden tijd
Hij (lachen) naar zijn vrouw, (starten) de motor en reed weg.
Persoonsvorm verleden tijd
Wij (verwachten) gister iemand anders.
Hij (lachen) het hardst om de film die we gister keken.
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
Een raaf (roven) een lekkere kaas.
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
Met moeite (landen) hij daarmee op een dikke tak.
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
Een vos (bespieden) de raaf.
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
Hij (snellen) erheen en slijmde bij de zwarte vogel.
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
De vos (zuchten): 'Ik hoorde dat jij zo mooi kunt zingen.'
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
'Ik (wensen) dat ik dat ook kon.'
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
'(verrassen) je ons maar met een mooi lied!'
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
De raaf (voelen) zich vereerd en opende zijn mond.
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
Hij (krassen) afgrijselijk.
Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!
De kaas (vallen) uit zijn bek en zo roofde de vos de kaas van de raaf.
Samenstellingen schrijf je zoveel mogelijk aan elkaar.
Samenstellingen met een voorzetsel schrijf je ook aan elkaar.
Samenstellingen waarvan één of beide woorden uit het Engels is overgenomen, schrijf je los van elkaar.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Het werkwoord huppelen is een splitsbaar werkwoord.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.
Kies het woord dat correct gespeld is.