Log in
Sign up for FREE
arrow_back
Library

Spelling (1) samenstellingen, pv tt en vt

star
star
star
star
star
Last updated over 3 years ago
30 questions
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Question 1
1.

Persoonsvorm verleden tijd

Hij (lachen) naar zijn vrouw, (starten) de motor en reed weg.

Question 2
2.

Persoonsvorm verleden tijd
Wij (verwachten) gister iemand anders.

Question 3
3.

Hij (lachen) het hardst om de film die we gister keken.

Question 4
4.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

Een raaf (roven) een lekkere kaas.

Question 5
5.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

Met moeite (landen) hij daarmee op een dikke tak.

Question 6
6.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

Een vos (bespieden) de raaf.

Question 7
7.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

Hij (snellen) erheen en slijmde bij de zwarte vogel.

Question 8
8.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

De vos (zuchten): 'Ik hoorde dat jij zo mooi kunt zingen.'

Question 9
9.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

'Ik (wensen) dat ik dat ook kon.'

Question 10
10.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

'(verrassen) je ons maar met een mooi lied!'

Question 11
11.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

De raaf (voelen) zich vereerd en opende zijn mond.

Question 12
12.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

Hij (krassen) afgrijselijk.

Question 13
13.

Vul het juiste antwoord in. Gebruik de verleden tijd.
Gebruik kleine letters. Ook als het woord dat je moet invullen aan het begin van de zin staat!

De kaas (vallen) uit zijn bek en zo roofde de vos de kaas van de raaf.

Question 14
14.

Samenstellingen schrijf je zoveel mogelijk aan elkaar.

Question 15
15.

Samenstellingen met een voorzetsel schrijf je ook aan elkaar.

Question 16
16.

Samenstellingen waarvan één of beide woorden uit het Engels is overgenomen, schrijf je los van elkaar.

Question 17
17.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 18
18.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 19
19.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 20
20.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 21
21.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 22
22.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 23
23.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 24
24.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 25
25.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 26
26.

Het werkwoord huppelen is een splitsbaar werkwoord.

Question 27
27.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 28
28.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 29
29.

Kies het woord dat correct gespeld is.

Question 30
30.

Kies het woord dat correct gespeld is.