Log in
Sign up for FREE
arrow_back
Library

examen 2019 TV1

star
star
star
star
star
Last updated almost 6 years ago
27 questions
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
101
1
1
1
1
1
1
1
1
2
2
1
1
1
1
13
Question 1
1.

Tekst 1 Advies: laat kind met zakmes spelen
Een tekst kan op verschillende manieren ingeleid worden. Bijvoorbeeld door onderstaande. Wat zijn de twee belangrijkste manieren die gebruikt worden in alinea 1 en 2?

Question 2
2.

In alinea 2 wordt gesproken over het expertisecentrum VeiligheidNL.
Met welke twee andere zelfstandige naamwoorden wordt er in alinea 2 tot en met 4 ook naar dit expertisecentrum verwezen? Noem de twee zelstandige naamwoorden

Question 3
3.

Waarom is het zo verrassend dat VeiligheidNL nu opeens risicovol spelen stimuleert? (alinea 4)

Question 4
4.

'Het is toch geen 1 aprilgrap?"(regels 39-40)
Citeer de zin uit alinea 4, 5 of 6 die duidelijk maakt waarom VeiligheidNL juist rond eind maart met het nieuwe advies komt. (noteer de eerste twee en de laatste twee woorden)

Question 5
5.

"Zo zeiden we eerst: niet steppen en skaten bij nat weer."(regels 60-62)
Welk verband wordt er vooral aangegeven met het woordje 'Zo'?

Question 6
6.

Welke moeder voedt haar kinderen op volgens de wetenschappelijke inzichten die worden beschreven in allinea 7: Mariette (alinea 3) of Marijn Hoogland (alinea 8 en 9)?
Licht je antwoord toe.

Question 7
7.

“De gemiddelde Nederlander is al zover. Nu politici nog.” (regels 120-121) Wat moeten politici nog doen?

Question 8
8.

De alinea’s 12 tot en met 14 vormen het slot van deze tekst. Wat is de belangrijkste functie van het slot? Het slot geeft een

Question 9
9.

Wat is het onderwerp van deze tekst?

Question 10
10.

Van welk tekstdoel is hier vooral sprake?

Question 11
11.

Wat is de hoofdgedachte van de tekst ‘Advies: laat kind met zakmes spelen’?

Question 12
12.

Tekst 2 Een goed lijstje geeft het brein rust
Samenvattingsopdracht
Vat de tekst ‘Een goed lijstje geeft het brein rust’ samen in 200 woorden. Besteed daarbij alleen aandacht aan de volgende punten:
1 het verschijnsel dat zich ieder jaar in december voordoet;
2 de vraag die in de tekst centraal staat;
3 wat uit het boek van Umberto Eco blijkt over lijstjes maken in het algemeen;
4 het gevolg van de opmars van internet voor het maken van lijstjes;
5 twee verschillende redenen waarom we volgens cognitief psycholoog Anne de Jong zo dol zijn op lijstjes;
6 een derde reden waarom we zo dol zijn op lijstjes volgens arbeids- en organisatiepsycholoog Cees Schenk;
7 de mening van Schenk over eindejaarslijstjes;
8 de kanttekening die Schenk plaatst bij het maken van lijstjes in het algemeen;
9 het advies dat Schenk geeft.

Maak er een goedlopend geheel van. Gebruik volledige zinnen waarbij de tekstverbanden duidelijk weergegeven worden. Noem niet onnodig voorbeelden.
Tel de woorden en zet dat aantal onder je samenvatting. Zet de titel erboven.

Question 13
13.

Tekst 3 We komen ook op plekken zonder postcode.
In de foto staat de tekst ‘We komen ook op plekken zonder postcode.’
Leg uit hoe deze tekst van toepassing is op de kinderen op de foto.

Question 14
14.

Het doel van een tekst kan onder andere onderstaande opties zijn:
Wat zijn de twee belangrijkste doelen van deze tekst?

Question 15
15.

Op welke doelgroep richt deze advertentie zich vooral? De advertentie richt zich vooral op lezers die

Question 16
16.

Tekst 4 Scholen worstelen nog met schermpjes in de klas
Hoe wordt de tekst ‘Scholen worstelen nog met schermpjes in de klas’ vooral ingeleid in alinea’s 1, 2 en 3 samen?

Question 17
17.

In alinea 3 zegt Geurts dat leerlingen sinds de invoering van de telefoontas actiever zijn en meer aandacht voor de les hebben. Hiervoor wordt bewijs aangevoerd.
Citeer de zin uit alinea 1, 2 of 3 waarin dit ‘bewijs’ het duidelijkst naar voren komt.
Noteer de eerste twee en de laatste twee woorden.

Question 18
18.

In alinea 5 komt leerling Rixte aan het woord. Welk probleem maakt de schrijver met het voorbeeld van Rixte vooral duidelijk? Rixtes voorbeeld maakt vooral duidelijk

Question 19
19.

Welke uitspraak over alinea 6 is waar?

Question 20
20.

Wat is het verband tussen alinea 7 en de laatste zin van alinea 6?

Question 21
21.

Welke van onderstaande zinnen zijn juist?

Question 22
22.

In alinea 13 schetst Van Domselaar twee uitersten als het om technologie in het klaslokaal gaat.
Welke twee uitersten zijn dit?

Question 23
23.

Wat maakt Van Domselaar duidelijk met de zin “Vroeger las ik bij bepaalde leraren ook hele jaargangen Donald Duck in de les.”? (regels 159-161)

Question 24
24.

Wat is het belangrijkste doel van deze tekst? De tekst wil de lezer

Question 25
25.

Wat is een belangrijke conclusie van deze tekst? Scholen hebben moeite met het gebruik van digitale apparaten in de klas

Question 26
26.

Voor wie is deze tekst vooral bestemd?

Question 27
27.

Opdracht Schrijf het artikel voor de nieuwsbrief van school.
Gebruik daarvoor de gegevens van je papier en en de tekst ‘Scholen worstelen nog met schermpjes in de klas’. Gegevens die niet in de opdracht vermeld staan, moet je zelf bedenken. Besteed in jouw artikel aandacht aan de volgende punten:
de aanleiding om het artikel te schrijven:
discussie over…;
twee verschillende voordelen van het gebruiken van de mobiele telefoon tijdens de les;
twee verschillende nadelen van het gebruiken van de mobiele telefoon tijdens de les;
benoemen dat je een interview gehouden hebt en wie je geïnterviewd hebt;
één opvallende uitkomst van het interview;
wat volgens jou de beste manier is voor jouw school om met de mobiele telefoon in de les om te gaan;
twee passende argumenten die jouw mening ondersteunen;
wat je hoopt te bereiken met je artikel.

Maak er een samenhangend geheel van en zet er een passende titel boven. Zet je voor- en achternaam onder het artikel.
Let op: Zorg ervoor dat je tekst minimaal uit 100 woorden bestaat. Bij minder dan 100 woorden krijg je geen punten voor taalgebruik.