In de alinea’s 5 tot en met 8 legt Jaap van den Herik uit waarom hij optimistisch is over de mogelijkheden van artificial intelligence. Wat is de reden dat Van den Herik optimistisch is over de mogelijkheden van artificial intelligence? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.
Question 3
3.
Question 4
4.
Question 5
5.
Question 6
6.
Question 7
7.
Question 8
8.
Question 9
9.
Uit tekst 1 blijkt de opvatting van de auteur over kunst die is gemaakt door een computer.
Welke opvatting is dat? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 15 woorden.
Question 10
10.
In alinea 11 komt de database van Flow Machines aan de orde.
Waarom zou dit een voorbeeld zijn van een computer die kunst maakt? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 11
11.
Waarom zou dit geen voorbeeld zijn van een computer die kunst maakt?
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 12
12.
Question 13
13.
In tekstfragment 1 wordt ingegaan op muziek gemaakt door een computer en muziek gemaakt door mensen.
Wat is volgens tekstfragment 1 het belangrijkste verschil tussen muziek gemaakt door een computer en muziek gemaakt door mensen? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 14
14.
Question 15
15.
Question 16
16.
Question 17
17.
Question 18
18.
Na alinea 1 kan tekst 2 worden onderverdeeld in vijf delen die achtereenvolgens van de volgende kopjes kunnen worden voorzien:
deel 1: Gedachten bij digi-taal
deel 2: Regels van digi-taal
deel 3: Verklaringen voor het ontstaan van digi-taal
deel 4: Positieve en negatieve effecten van digi-taal
deel 5: Probleem en oplossing bij het gebruik van digi-taal
Bij welke alinea begint deel 2?
Question 19
19.
Na alinea 1 kan tekst 2 worden onderverdeeld in vijf delen die achtereenvolgens van de volgende kopjes kunnen worden voorzien:
deel 1: Gedachten bij digi-taal
deel 2: Regels van digi-taal
deel 3: Verklaringen voor het ontstaan van digi-taal
deel 4: Positieve en negatieve effecten van digi-taal
deel 5: Probleem en oplossing bij het gebruik van digi-taal
Bij welke alinea begint deel 4?
Question 20
20.
Na alinea 1 kan tekst 2 worden onderverdeeld in vijf delen die achtereenvolgens van de volgende kopjes kunnen worden voorzien:
deel 1: Gedachten bij digi-taal
deel 2: Regels van digi-taal
deel 3: Verklaringen voor het ontstaan van digi-taal
deel 4: Positieve en negatieve effecten van digi-taal
deel 5: Probleem en oplossing bij het gebruik van digi-taal
Bij welke alinea begint deel 5?
Question 21
21.
In tekst 2 worden twee tegengestelde visies op het gebruik van digi-taal genoemd.
Welke twee visies zijn dat? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 22
22.
Question 23
23.
“De rode draad in alle digi-taal lijkt vooral efficiëntie te zijn.” (regels 77-78)
Waarom is efficiëntie volgens de alinea’s 7 tot en met 9 belangrijk voor digi-taal? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 24
24.
Noem drie kenmerken die volgens de alinea’s 7 tot en met 9 bijdragen aan de efficiëntie van digi-taal.
Question 25
25.
In alinea 10 wordt een effect van digi-taal genoemd dat eerder in tekst 2 nog niet is genoemd.
Welk effect is dat?
Question 26
26.
Question 27
27.
Welke invloed van digi-taal vrezen leraren, volgens tekst 2? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 28
28.
“‘Er is in het buitenland enig onderzoek verricht naar de invloed van digi-taal op lezen en schrijven’” (regels 127-130) De resultaten van dat onderzoek zorgen voor een bepaalde verwachting over de invloed van digi-taal.
Wat is die verwachting? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 25 woorden.
Question 29
29.
Question 30
30.
In tekstfragment 2 worden adviezen gegeven.
Citeer de zin uit tekst 2 waaruit blijkt dat Hans Bennis het met die adviezen eens zal zijn.
Question 31
31.
Stel jezelf het volgende voor: Een docent Nederlands gebruikt met zijn mentorklas een WhatsAppgroep om snel informatie over te kunnen dragen en organisatorische vragen van zijn leerlingen te kunnen beantwoorden. Een paar dagen voor de proefwerkweek plaatst hij dit ingekorte bericht in de groep:
A.s. ma start de toetswk. H5a hele wk in lok 232. Doe je best! Suc6!
Geef een op tekst 2 gebaseerde reden waarom Hans Bennis het taalgebruik in deze situatie zou afkeuren.
Question 32
32.
Stel jezelf het volgende voor: Een docent Nederlands gebruikt met zijn mentorklas een WhatsAppgroep om snel informatie over te kunnen dragen en organisatorische vragen van zijn leerlingen te kunnen beantwoorden. Een paar dagen voor de proefwerkweek plaatst hij dit ingekorte bericht in de groep:
A.s. ma start de toetswk. H5a hele wk in lok 232. Doe je best! Suc6!
Geef een op tekst 2 gebaseerde reden waarom Hans Bennis het taalgebruik in deze situatie zou goedkeuren.
Question 33
33.
Question 34
34.
Er zijn volgens tekst 3 twee redenen om je te verwonderen over de gedachte van docenten dat een toename van WhatsAppachtige omgangsvormen van invloed is op de manier waarop studenten hun e-mails formuleren.
Welke twee redenen zijn dat? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 35 woorden.
Question 35
35.
“Ik heb twee belangrijke bezwaren tegen die redenering.” (regels 32-34)
Tegen welke redenering worden die bezwaren gemaakt?
Question 36
36.
“Ik heb twee belangrijke bezwaren tegen die redenering.” (regels 32-34)
Welke twee bezwaren zijn dat? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 37
37.
Question 38
38.
“Ik wil een veel simpelere verklaring voorstellen: socialisatie.” (regels 70-71)
Voor welk verschijnsel wordt socialisatie als verklaring genoemd? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
Question 39
39.
Question 40
40.
Question 41
41.
Question 42
42.
Question 43
43.
Question 44
44.
Question 45
45.
Question 46
46.
Question 47
47.
Tekst 1 Slimme computers: kunnen ze straks ook kunst maken?
Op welke manier wordt in de eerste alinea van tekst 1 het onderwerp van de tekst geïntroduceerd? Dit gebeurt door
de aanleiding voor het schrijven van de tekst te geven.
een anekdote over het onderwerp van de tekst te geven.
een constatering te noemen die verder in de tekst uitgewerkt wordt.
een voorbeeld te geven dat de vraagstelling inleidt.
“Kan de computer ook op kunstgebied grenzen verleggen en met écht nieuwe ideeën komen? ‘Ik zou niet weten waarom niet’, aldus Van den Herik. ‘Het lijkt erop dat tegenstanders gewoon niet willen dat computers dit ook zullen kunnen, omdat kunst het exclusieve terrein van de mens is.’” (regels 146-154) Een kritisch lezer zou in deze redenering een drogreden kunnen herkennen.
Om welke drogreden gaat het?
bespelen van publiek
cirkelredenering
overhaaste generalisatie
vertekenen van een standpunt
De titel van tekst 1 is “Slimme computers: kunnen ze straks ook kunst maken?”.
Uit tekst 1 blijken verschillende antwoorden van deskundigen op die vraag, namelijk:
1 Ja, computers kunnen kunst maken.
2 Nee, computers kunnen geen kunst maken.
3 Het is onduidelijk of computers kunst kunnen maken.
Geef bij elk van de deskundigen aan of het optie 1, 2 of 3 is.
Jaap van den Herik
ja
nee
onduidelijk
De titel van tekst 1 is “Slimme computers: kunnen ze straks ook kunst maken?”.
Uit tekst 1 blijken verschillende antwoorden van deskundigen op die vraag, namelijk:
1 Ja, computers kunnen kunst maken.
2 Nee, computers kunnen geen kunst maken.
3 Het is onduidelijk of computers kunst kunnen maken.
Geef bij elk van de deskundigen aan of het optie 1, 2 of 3 is.
Sacha Bronwasser
ja
nee
onduidelijk
De titel van tekst 1 is “Slimme computers: kunnen ze straks ook kunst maken?”.
Uit tekst 1 blijken verschillende antwoorden van deskundigen op die vraag, namelijk:
1 Ja, computers kunnen kunst maken.
2 Nee, computers kunnen geen kunst maken.
3 Het is onduidelijk of computers kunst kunnen maken.
Geef bij elk van de deskundigen aan of het optie 1, 2 of 3 is.
Blaise Aguera y Arcas
ja
nee
onduidelijk
De titel van tekst 1 is “Slimme computers: kunnen ze straks ook kunst maken?”.
Uit tekst 1 blijken verschillende antwoorden van deskundigen op die vraag, namelijk:
1 Ja, computers kunnen kunst maken.
2 Nee, computers kunnen geen kunst maken.
3 Het is onduidelijk of computers kunst kunnen maken.
Geef bij elk van de deskundigen aan of het optie 1, 2 of 3 is.
Eric Postma
ja
nee
onduidelijk
De titel van tekst 1 is “Slimme computers: kunnen ze straks ook kunst maken?”.
Uit tekst 1 blijken verschillende antwoorden van deskundigen op die vraag, namelijk:
1 Ja, computers kunnen kunst maken.
2 Nee, computers kunnen geen kunst maken.
3 Het is onduidelijk of computers kunst kunnen maken.
Geef bij elk van de deskundigen aan of het optie 1, 2 of 3 is.
Arnold Smeulders
ja
nee
onduidelijk
In alinea 12 wordt het voorbeeld genoemd van Blaise Agüera y Arcas.
Wat is het belangrijkste doel van dat voorbeeld?
aantonen dat er overeenkomsten in creativiteit zijn tussen computers en kinderen
beargumenteren dat computers geen kunst kunnen maken
demonstreren dat computers creatief kunnen zijn
laten zien dat ook grote technologiebedrijven zich met computerkunst bezighouden
Welke deskundige uit tekst 1 zit met zijn of haar opvatting over computerkunst het dichtst bij de opvatting in tekstfragment 1?
Jaap van den Herik
Sacha Bronwasser
Blaise Agüera y Arcas
Eric Postma
Arnold Smeulders
Welke omschrijving verwoordt het best de hoofdgedachte van tekst 1?
Artificial intelligence maakt een enorme ontwikkeling door en het duurt niet lang voordat de computer de mens ook de baas is op het gebied van de kunst.
De computer is de mens inmiddels in vele domeinen de baas, maar het is de vraag of de computer in de toekomst in staat zal zijn om zelf kunst te creëren.
Ondanks alle mogelijkheden die artificial intelligence biedt, zal de computer uiteindelijk niet in staat blijken te zijn om intuïtieve kunst te maken.
Sinds computers intuïtief kunnen denken, zijn ze in staat om in spellen, en ook in de kunst ten minste gelijkwaardig aan de mens te presteren.
Tekst 2 ffw88 jonguh: is die digi-taal nou echt zo erg?
Welke functie heeft de eerste alinea ten opzichte van de rest van de tekst?
In de eerste alinea wordt
de aandacht getrokken door een verrassende stelling te poneren.
de interesse gewekt door een aansprekend voorbeeld te noemen.
de lezer geprikkeld door een spannende anekdote te vertellen.
het belang voor de lezer verduidelijkt door het centrale probleem vast te stellen.
Wat is het verband tussen alinea 2 en 3?
In alinea 2 wordt een mening over het behoud van het Nederlands geformuleerd en in alinea 3
wordt deze mening bekritiseerd door een wetenschapper.
wordt deze mening gedeeltelijk ondersteund door onderzoek.
wordt deze mening genuanceerd door de nadelen van taalbehoud te benoemen.
wordt deze mening uitgewerkt vanuit diverse invalshoeken over taalbehoud.
“Taalontwikkeling die bovendien uitgaat van kennis van de Nederlandse taalregels, logica én efficiëntie.” (regels 44-47) In de alinea’s 5 tot en met 10 worden deze drie elementen verder uitgewerkt.
Welke omschrijving vat het best samen hoe deze drie elementen volgens tekst 2 onderling samenhangen?
Digi-taal is ontstaan vanuit de behoefte aan efficiënte communicatie. Gebruikers van digi-taal passen de taal op een creatieve en logische manier aan. Die logica is daarbij gebaseerd op hun kennis van het Standaardnederlands.
Het is logisch dat jongeren digi-taal gebruiken omdat ze graag creatief met taal omgaan. Dankzij hun kennis van het Standaardnederlands kunnen zij de taal op een efficiënte manier aanpassen zodat er nog steeds taalregels gehanteerd worden.
Het Standaardnederlands is gebaseerd op logische regels. Digi-taal is een creatieve maar efficiënte variant van het Standaardnederlands. Zolang gebruikers van digi-taal zich aan taalregels houden, leidt die creativiteit niet tot onbegrip.
Op het eerste gezicht is digi-taal een creatieve taal, maar als je er langer naar kijkt, blijkt digi-taal net zo gebaseerd te zijn op regels als het Standaardnederlands. Jongeren leren de taalregels dus net zo efficiënt via digi-taal als via de standaardtaal.
“‘incorrecte’ digi-taal” (regel 125)
Waarom staan er aanhalingstekens rond het woord ‘incorrecte’?
De auteur geeft zo aan dat niet iedereen van mening is dat digi-taal foutief taalgebruik is.
De docenten zijn eigenlijk van mening dat de digi-taal wel correct is.
De jongeren zijn zich er onvoldoende van bewust dat hun taalgebruik niet geheel volgens de regels is.
De onderzoekers aan de universiteit hebben een andere visie op correct taalgebruik.
Welke twee argumentatieschema’s worden in tekst 2 vooral gebruikt? argumentatie op basis van
autoriteit en oorzaak en gevolg
autoriteit en voor- en nadelen
kenmerken of eigenschappen, en voor- en nadelen
overeenkomsten en verschillen, en oorzaak en gevolg
Tekst 3 WhatsAppachtig taalgebruik
Welke uitspraak is het meest van toepassing op alinea 1 van tekst 3? Alinea 1 is vooral een
beschrijving van een voorbeeld van WhatsAppachtige omgangsvormen in e-mails tussen docent en student.
introductie van het denkbeeldige probleem van WhatsAppachtige omgangsvormen in e-mails van studenten aan docenten.
waarschuwing aan studenten geen WhatsAppachtige omgangsvormen te gebruiken in e-mails aan docenten.
weerlegging van de aanname dat studenten WhatsAppachtige omgangsvormen in e-mails aan docenten gebruiken.
In een tekst kunnen verschillende argumentatieschema’s voorkomen. Van welk argumentatieschema is in alinea 4 vooral gebruikgemaakt?
Er is vooral gebruikgemaakt van argumentatie op basis van
kenmerk of eigenschap.
oorzaak en gevolg.
vergelijking.
voorbeelden.
voor- en nadelen.
Welke formulering omschrijft het best de functie van alinea 6 en alinea 7?
Alinea 6 geeft een verklaring voor socialisatie en alinea 7 zet daar een tegengestelde verklaring tegenover.
Alinea 6 legt uit wat socialisatie inhoudt voor docenten en alinea 7 verduidelijkt dit door een voorbeeld van studenten toe te voegen.
Alinea 6 en 7 geven samen aan waardoor socialisatie een probleem is voor het taalgebruik in de e-mails van studenten aan docenten.
Alinea 6 en 7 geven samen een nadere uitleg van socialisatie door twee vergelijkbare ontwikkelingen naast elkaar te zetten.
“Er is geen kruisbestuiving tussen WhatsApp en e-mail, maar gewoon een ander perspectief.” (regels 100-102)
Welke formulering geeft de betekenis van het bovenstaande citaat juist weer?
Het taalgebruik op WhatsApp beïnvloedt taalgebruik in e-mails niet. Studenten hanteren tegenwoordig andere taalnormen dan docenten gewend zijn.
Het verband tussen het taalgebruik op WhatsApp en in e-mails is zwak. Studenten hebben slechts een andere kijk op het gebruik van deze media dan docenten.
Studenten ontlenen hun taalnormen aan WhatsApp en e-mail en hebben daardoor een andere norm voor gepaste communicatie dan docenten.
WhatsApp en e-mail hebben andere taalnormen, maar dit beïnvloedt de communicatie tussen student en docent in mindere mate dan docenten denken.
Welke van de onderstaande beweringen vat het best de kern van alinea 9 samen?
De angst voor taalverloedering door de opkomst van digitale communicatiemiddelen lijkt ongefundeerd.
De ervaringen met nieuwe media tonen aan dat het taalgebruik van jongeren niet wezenlijk zal veranderen.
De verwachting dat het taalgebruik van jongeren verandert door de opkomst van nieuwe digitale communicatiemiddelen is reëel.
De zorgen om de achteruitgang van het taalgebruik door jongeren en de angst voor taalverloedering blijken mee te vallen.
Welke zin geeft de hoofdgedachte van tekst 3 het best weer?
Docenten klagen over studenten die zich niet aan de taalomgangsnormen in e-mails houden en ze wijzen met een beschuldigende vinger naar WhatsApp, maar willen geen les geven in het gebruik van de juiste taalomgangsvormen.
Docenten moeten het gebruik van de taalomgangsvormen van studenten niet meteen veroordelen, maar nagaan welke normen die wellicht schenden en de studenten zo nodig leren wat de gewenste taalomgangsvormen zijn.
Onderzoekers moeten nagaan welke taalomgangsvormen studenten schenden en waarom studenten ongewenste taalomgangsnormen gebruiken en vervolgens aan de studenten uitleggen wat de gewenste normen zijn.
Studenten beseffen nog onvoldoende wat de juiste taalomgangsvormen zijn in hun e-mails aan docenten, maar willen wel leren de juiste vormen te gebruiken zodat ze hun taal kunnen verrijken.
Tekst 2 (FF w888) en tekst 3 (WhatsAppachtig taalgebruik) Overkoepelende vraag
Hieronder staan vijf uitspraken.
Geef per uitspraak aan of hij past bij alleen tekst 2, alleen tekst 3 of bij allebei de teksten.
1. De verloedering van taalgebruik als gevolg van het gebruik van digitale media wordt weersproken.
alleen tekst 2
alleen tekst 3
tekst 2 en 3
Tekst 2 (FF w888) en tekst 3 (WhatsAppachtig taalgebruik) Overkoepelende vraag
Hieronder staan vijf uitspraken.
Geef per uitspraak aan of hij past bij alleen tekst 2, alleen tekst 3 of bij allebei de teksten.
2. Digi-taal kent zijn eigen regels en is een vorm van taalontwikkeling.
alleen tekst 2
alleen tekst 3
tekst 2 en 3
Tekst 2 (FF w888) en tekst 3 (WhatsAppachtig taalgebruik) Overkoepelende vraag
Hieronder staan vijf uitspraken.
Geef per uitspraak aan of hij past bij alleen tekst 2, alleen tekst 3 of bij allebei de teksten.
3. Docenten en studenten zijn opgegroeid met verschillende taalmiddelen die verschillende taalnormen kennen.
alleen tekst 2
alleen tekst 3
tekst 2 en 3
Tekst 2 (FF w888) en tekst 3 (WhatsAppachtig taalgebruik) Overkoepelende vraag
Hieronder staan vijf uitspraken.
Geef per uitspraak aan of hij past bij alleen tekst 2, alleen tekst 3 of bij allebei de teksten.
4. Docenten vrezen invloed van het taalgebruik in digitale media op het formele taalgebruik van leerlingen of studenten.
alleen tekst 2
alleen tekst 3
tekst 2 en 3
Tekst 2 (FF w888) en tekst 3 (WhatsAppachtig taalgebruik) Overkoepelende vraag
Hieronder staan vijf uitspraken.
Geef per uitspraak aan of hij past bij alleen tekst 2, alleen tekst 3 of bij allebei de teksten.
5. Jongeren moeten, indien nodig, bewust gemaakt worden van de regels van professionele taal.