Jaap ....... (stoppen v.t.) voor het verkeerslicht.
Zij heeft hem altijd ............ (wijsmaken, vd) dat het te gevaarlijk is in de stad.
Daan ......... (schroeven, vt) de twee plankjes aan ekaar vast.
............ (vouwen, tt) jij het tafellaken nog even voor mij op?
De school .............. (schorsen, vt) de agressieve leerling voor een dag.
De tuin van het klooster wordt ..................... (begrenzen, vd) door een muur.
De schrijvers .................. (richten, vt) zich op een jong publiek.
Isa ...................... (erven, vt) een fortuin van haar opa.
Ik dacht al dat er iets mis was, hij gedroeg zich zo ....................... (haasten, vd)
Ik ........................ (mompelen, tt) vaak in mezelf als ik aan het nadenken ben.