l'ascenseur
la boucherie
beau
traverser
parce que
de keuken
het flatgebouw
sinds
tegenover
de prullenbak
Mon bureau est sous la fenêtre
J'aime bien le vert et le bleu
Het spijt me, ik weet het niet
Het is op de tweede verdieping
Wij gaan
Sophie gaat
Zet het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in de goede vorm, schrijf heel de zin op:
La porte est très (grand)
Zet het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in de goede vorm, schrijf heel de zin op:
La jupe de Sophie est (jaune)
Zet het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in de goede vorm, schrijf heel de zin op:
Les pantalons de mon grand-père sont (vert)