Zijn
Worden
Beginnen
Buigen
Bijten
blazen
Breken
Bouwen
(ver)branden
Kopen
In staat zijn/kunnen
Vangen
Kiezen
Komen
Kosten
Snijden/knippen
Doen
Tekenen/trekken
Drinken
Rijden
Eten
Vallen
Voelen
Vechten
Vinden
Vliegen
Vergeten
Krijgen, worden
Geven
Gaan
Groeien, worden
Hangen
Hebben
Horen
(zich) verbergen
Slaan/raken
Houden
Weten
Leggen
Leiden
Leren
(ver)laten
Lenen
Liggen