Hij (vermoeden = tt) dat hij in één keer slaagt voor zijn examen.
Hoe laat (landen = tt) je broer op Schilphol vandaag?
Mijn vader (barbecuen) graag met mooi weer.
De (vluchten) overvallers werden na een achtervolging snel aangehouden.
Gisteren (fietsen) ik met de boodschappen naar oma.
In het verpleeghuis worden elke avond de vloeren (schrobben).
De coronapatiënten worden in het zoekenhuis direct (isoleren).
De (begroten) kosten voor de crisis vallen hoger uit.
Helaas (racen = tt) Max Verstappen in mei niet op het circuit in Zandvoort.
De jongens (geloven = vt) dat het allemaal wel goed kwam.
Vanmiddag worden die artikelen waarschijnlijk (afprijzen).
Haar ouders (betalen) vorig jaar het sportabonnement.
(Hoesten) kwam de man op het spreekuur van de huisarts.
Veel mensen (melden) zich vorige week ziek bij hun werkgever.
Mijn vriend en ik (joggen) vanochtend samen 5 km.
Ik heb per ongeluk het hele document (deleten).
Hoe (heten) die zanger die vorig jaar het songfestival won?
De docent heeft gisteren al mijn vragen nog per mail (beantwoorden).
De wijkverpleegkundige (verbinden) vanochtend snel de wond van de oude man.
De (haten) dictator is naar het buitenland gevlucht.