Log in
Sign up for FREE
arrow_back
Library
Formatieve taaltoets MH1
By Nanninga, Y.
star
star
star
star
star
Share
share
Last updated almost 6 years ago
30 questions
Add this activity
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Question 1
1.
1. In welke zin staat een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?
Toen ik gisteren met mijn oude opa aan het schatzoeken was, vonden wij een voorwerp in de achtertuin.
Mijn opa heeft een blitse metaaldetector, het handige ding begon enorm te piepen.
We wisten dus zeker dat het een metalen voorwerp was.
We hoopten op een waardevol stuk, maar helaas was het slechts een verroeste sleutel.
Question 2
2.
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin? De Nachtzoen is een mooi televisieprogramma.
Question 3
3.
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin?
Gisteren was er een zorgzame man te gast die werkt als medewerker in de daklozenopvang.
Question 4
4.
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin?
De coronacrisis zorgt voor problemen en moedeloze mensen.
Question 5
5.
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin?
Helaas heeft zelfs de man geen positieve boodschap te vertellen.
Question 6
6.
Vul een passend voorzetsel in.
Mijn neefje denkt vaak dat er een monster […] zijn bed ligt.
Question 7
7.
Vul een passend voorzetsel in.
Was jij vroeger ook zo bang […] monsters?
Question 8
8.
Welke woordsoort?
Mijn
oom
gaat morgen op reis naar Groningen.
bn
vz
ww
zn
Question 9
9.
Welke woordsoort?
Michele heeft
voor
haar verjaardag een groot paasei gekregen.
bn
vz
ww
zn
Question 10
10.
Welke woordsoort?
Gevangenissen
zijn
potentiele broedplaatsen voor Corona.
bn
vz
ww
zn
Question 11
11.
Kies het juiste verwijswoord.
Ik heb een nieuwe jurk gekocht. [Dat/Die] staat leuk in de zomer op het strand.
dat
die
Question 12
12.
Kies het juiste verwijswoord.
In dit park komen maar weinig mensen momenteel. Ik heb [haar/ze] geteld. Het zijn er tien.
haar
ze
Question 13
13.
Vul een verwijswoord in dat past op de puntjes.
Wat heb jij een vieze kamer! […] moet nodig worden opgeruimd.
Question 14
14.
Vul een verwijswoord in dat past op de puntjes.
Het jongetje […] te laat kwam, kreeg geen straf van zijn juf.
Question 15
15.
Vul een verwijswoord in dat past op de puntjes.
Bart is een lieve jongen, […] helpt je vast wel even.
Question 16
16.
Liggen heeft te maken met:
niet bewegen, met rust
iets doen, met actie
Question 17
17.
Noteer het werkwoord dat in de zin past. Kies uit:
liggen, leggen, kennen
en
kunnen.
Wij […] onze telefoons voor de les altijd in onze kluis.
Question 18
18.
Noteer het werkwoord dat in de zin past. Kies uit:
liggen, leggen, kennen
en
kunnen.
Die twee koeien […] samen in de wei te slapen.
Question 19
19.
Noteer het werkwoord dat in de zin past. Kies uit:
liggen, leggen, kennen
en
kunnen.
[…] jullie de regels voor werkwoordspelling nog?
Question 20
20.
Noteer het werkwoord dat in de zin past. Kies uit:
liggen, leggen, kennen
en
kunnen.
Alle jongens in onze klas […] tien of meer keer hooghouden.
Question 21
21.
Een zwak werkwoord verandert in de verleden tijd van klank.
waar
niet waar
Question 22
22.
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd. lachen
Haar broer en zus […] om haar 1-aprilgrap.
Question 23
23.
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd. scoren
Willem […] het winnende doelpunt.
Question 24
24.
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd. praten
Natascha […] de hele tijd over haar skeelertocht van vorige week.
Question 25
25.
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd. verstoppen
Op eerste paasdag […] mijn ouders altijd chocolade-eitjes in de tuin.
Question 26
26.
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd. reizen
Luc […] naar Italië om een vriend te bezoeken.
Question 27
27.
Noteer de werkwoorden in de juiste vorm in de verleden tijd.
melken
De geitenboer […] de kudde geiten.
Question 28
28.
Noteer de werkwoorden in de juiste vorm in de verleden tijd.
sluipen
Voorzichtig […] de twee leerlingen langs de conciërge.
Question 29
29.
Noteer de werkwoorden in de juiste vorm in de verleden tijd.
kijken
Sasha […] uit het raam om te zien waar die harde klap vandaan kwam.
Question 30
30.
Noteer de werkwoorden in de juiste vorm in de verleden tijd.
vinden
Na lang zoeken (vinden) de politie de gestolen tas in de bosjes.