Log in
Sign up for FREE
arrow_back
Library

3H le bilan chapitre 5

star
star
star
star
star
Last updated almost 6 years ago
30 questions
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Question 1
1.

De imparfait (onvoltooid verleden tijd) gebruik je om:

Question 2
2.

De volgende woorden geven een herhaling/gewoonte aan:

Question 3
3.

Zet de zin in de imparfait. Schrijf de hele zin op:
Jules prépare un pizza.

Question 4
4.

Zet de zin in de imparfait. Schrijf de hele zin op:
Jules et Irene adorent les pizzas.

Question 5
5.

Zet de zin in de imparfait. Schrijf de hele zin op:
Parfois, on sort pour acheter des crêpes.

Question 6
6.

Zet de zin in de imparfait. Schrijf de hele zin op:
Nous dansons tous les jours.

Question 7
7.

Zet de zin in de imparfait. Schrijf de hele zin op:
Vous jouez souvent au foot?

Question 8
8.

Zet de woorden van de onderstaande zin in de juiste volgorde. Noteer de hele zin.
ont - mes parents - joué - un match de foot

Question 9
9.

Zet de woorden van de onderstaande zin in de juiste volgorde. Noteer de hele zin.
n' - ennuyeuse - la promenade - pas - était

Question 10
10.

Zet de woorden van de onderstaande zin in de juiste volgorde. Noteer de hele zin.
devenir - voulez - pourquoi - célèbre - vous - ?

Question 11
11.

Vul de juiste vorm van het werkwoord mettre in.
tu... (présent)

Question 12
12.

Vul de juiste vorm van het werkwoord mettre in.
on... (imparfait)

Question 13
13.

Vul de juiste vorm van het werkwoord mettre in.
vous... (futur simple)

Question 14
14.

Geef de juiste vertaling van deze vorm van mettre.
hij heeft gezet

Question 15
15.

Geef de juiste vertaling van deze vorm van mettre.
wij zullen leggen

Question 16
16.

Geef de juiste vertaling van deze vorm van mettre.
u legt

Question 17
17.

Geef de juiste vertaling van deze vorm van mettre.
jij legde

Question 18
18.

Moet dit bijvoeglijk naamwoord voor of na het zelfstandig naamwoord?
bon

Question 19
19.

Moet dit bijvoeglijk naamwoord voor of na het zelfstandig naamwoord?
rouge

Question 20
20.

Moet dit bijvoeglijk naamwoord voor of na het zelfstandig naamwoord?
grand

Question 21
21.

Moet dit bijvoeglijk naamwoord voor of na het zelfstandig naamwoord?
canadien

Question 22
22.

Moet dit bijvoeglijk naamwoord voor of na het zelfstandig naamwoord?
sportif

Question 23
23.

Moet dit bijvoeglijk naamwoord voor of na het zelfstandig naamwoord?
mauvais

Question 24
24.

Welke combinatie is juist?

Question 25
25.

Welke combinatie is juist?

Question 26
26.

Welke combinatie is juist?

Question 27
27.

Welke combinatie is juist?

Question 28
28.

Welke combinatie is juist?

Question 29
29.

Welke combinatie is juist?

Question 30
30.

Welke combinatie is juist?