De volgende toets bestaat uit 17 vragen duurt 45 min.
Je antwoord dient in het kader onder de vraag ingevuld te worden.
Bij gebruikt van formules en/of evenwichten dien je de volgende notaties te gebruiken.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Evenwicht <--->
Aflopende reactie is --->
Evenwichtsvoorwaarde K = [C]x[D]/[A]x[B] of Kz = [C]x[D]/[A]
Exponent is -3 = X-3 (notatie door selecteren -3 en x2 aanklikken als het verschijnt)
dus; 0,00005 = 5 x 10-5
BOE schema; Maak een BOE schema in excel en kopier het in het antwoordvak.
Structuurformule: R-CHCH3-CH2-R

Hulpmiddelen:
Rekenmachine
Binas
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Fossiele Brandstoffen
Voor het grootste gedeelte van onze energievoorziening zijn wij nog afhankelijk van fossiele brandstoffen.
Fossiele Brandstoffen
fossiele brandstoffen worden vooral gebruikt voor het opwekken van warmte en de productie van elektriciteit.
Bij de verbranding van brandstof komt warmte vrij, de verbrandingswarmte.
Fossiele Brandstoffen
Lpg
Vijf procent van de auto’s in Nederland gebruikt lpg (autogas) als brandstof.
In een artikel over lpg staat het volgende:
tekstfragment 1
Wat is lpg?
Lpg staat voor Liquefied Petroleum Gas. Het kan worden gebruikt als een relatief schonere brandstof voor auto’s dan benzine of diesel. Lpg komt vrij bij het verwerken van aardolie en bij de winning van aardgas. Lpg is onder hoge druk vloeibaar gemaakt. Het wordt als vloeistof getankt, maar komt als gas in de motor. Lpg is een mengsel van voornamelijk butaan en propaan.
(naar: de Volkskrant)
In tekstfragment 1 wordt beschreven dat lpg onder andere vrijkomt bij het verwerken van aardolie. Zowel bij het destilleren als bij het kraken van aardolie wordt lpg verkregen.
Fossiele Brandstoffen
Lpg
Vijf procent van de auto’s in Nederland gebruikt lpg (autogas) als brandstof.
In een artikel over lpg staat het volgende:
tekstfragment 1
Wat is lpg?
Lpg staat voor Liquefied Petroleum Gas. Het kan worden gebruikt als een relatief schonere brandstof voor auto’s dan benzine of diesel. Lpg komt vrij bij het verwerken van aardolie en bij de winning van aardgas. Lpg is onder hoge druk vloeibaar gemaakt. Het wordt als vloeistof getankt, maar komt als gas in de motor. Lpg is een mengsel van voornamelijk butaan en propaan.
(naar: de Volkskrant)
Fossiele Brandstoffen
LPG

In bovenstaand figuur is een gedeelte van de veiligheidskaart van lpg weergegeven. In tekstfragment 1 staan namen van stoffen die in lpg voorkomen. Op de veiligheidskaart zijn twee molecuulformules gegeven. In feite staan deze molecuulformules voor drie stoffen; de twee die in tekstfragment 1 worden genoemd en nog een derde stof.
Fossiele Brandstoffen
LPG

Uit een gegeven op de veiligheidskaart van lpg kan worden afgeleid of het verdampen van lpg een exotherm of een endotherm proces is.
Evenwichten
In een reactievat van 1 ,0 liter brengt men een bepaalde hoeveelheid PCl3 bij 0,040 mol Cl2 en laat het volgende evenwicht instellen:
PCl3 (g) + Cl2 (g) ⇄ PCl5 (g)
Onder de gegeven omstandigheden geldt: K = 17.
Bij evenwicht is er 0,020 mol PCl5 ontstaan.
Evenwichten
Je voert twee experimenten uit:
Je brengt een mengsel van 1,00 mol zwaveldioxidegas en 1,00 mol zuurstofgas bij elkaar in een vat van 5,00 L bij een temperatuur van 1000 K. Er treedt een reactie op. Na verloop van tijd veranderen de concentraties van de aanwezige stoffen niet meer. Er blijkt dan, naast bepaalde hoeveelheden van de genoemde gassen, ook 0,85 mol zwaveltrioxidegas aanwezig te zijn.
Je brengt 1,00 mol zwaveltrioxidegas in een vat van 10,0 L bij een temperatuur van 1000 K. Er treedt een reactie op. Na verloop van tijd blijven de concentraties van de stoffen constant. Er blijkt dan onder andere 0,16 mol zuurstofgas aanwezig te zijn.
Een van de twee experimenten levert het diagram op dat hieronder is afgebeeld.
![]()
a Geef de reacties die in de experimenten 1 en 2 optreden in één reactievergelijking weer.
b Leg uit of het afgebeelde diagram bij experiment 1 of bij experiment 2 behoort.
c Geef in de grafiek aan welke stoffen horen bij de lijnen 1,2 en 3.
Evenwichten
In een reactievat van 5,00 dm3 breng je 1,00 mol H2(g) en 2,00 mol N2(g). Na de insteltijd is 0,100 mol NH3(g) aanwezig.
a Geef de vergelijking van deze evenwichtsreactie.
b Wat geldt voor de snelheid van de vormings- en ontledingsreactie op het moment dat de evenwichtstoestand is bereikt?
c Wat geldt voor de concentratie van de drie stoffen vanaf het moment dat de evenwichtstoestand is bereikt?
d Bereken uit hoeveel mol H2(g) en N2(g) 0,100 mol NH3(g) is ontstaan.
e Bereken hoeveel mol van elk van de drie stoffen bij evenwicht aanwezig is.
f Bereken de concentratie van elk van de drie stoffen in het evenwichtsmengsel.
Zuren
a Wat kun je zeggen over de pH van een zure oplossing?
b Wat gebeurt er met de kleur van een stukje rood lakmoespapier als je er een beetje van een zure oplossing op doet? En wat gebeurt er met de kleur van een stukje blauw lakmoespapier als je er een beetje zure oplossing op doet?
c Leg uit of de pH van een basische oplossing hoger of lager wordt als je deze verdunt met water.
Zuren
Je krijgt een oplossing van het zuur waterstofchloride in water. De pH van deze oplossing is ongeveer 2,0.
a Wat is de kleur van de indicator dimethylgeel als deze aan de oplossing wordt toegevoegd?
Je verdunt langzaam de oplossing van het zuur, waaraan wat dimethylgeel is toegevoegd. Je ziet de oorspronkelijke kleur eerst veranderen in ... (1) en dan in ... (2).
b Op de puntjes in de zin hierboven horen twee kleuren te staan. Welke kleuren zijn dit? Noteer je antwoord als: (1) =... (2) = ...
Zuren
Joost lost 2,0 mol van een sterk zuur op in 1,0 L water. Ivor lost 2,0 mol van een zwak zuur op in 1,0 L water.
Leg uit welke oplossing de elektrische stroom het beste geleidt.
Zuren
Bereken de pH van de volgende oplossing;
4,0 M zoutzuur
Zuren
Men heeft een oplossing van zwavelzuur. Deze oplossing bevat 2,9 gram H2SO4 per 500 ml.
Stel de oplosvergelijking op en berekend de H3O + ionenconcentratie in deze oplossing.
Zuren
Bereken de pH van de volgende oplossing.
0,75 M waterstoffluoride-oplossing.
Zuren
Aan 150 ml van een oplossing met een pH = 4,1 voegt men 450 ml zuiver water toe.
Bereken de pH van de nieuwe oplossing.
Zuren
In een ruimte van 5,00 liter brengt men 9,50 mol HCl(g) en 2,60 mol O2 (g). Na evenwichtsinstelling is 40,0% van de beginstoffen omgezet en is er Cl2 (g) en H2O(g) ontstaan.
a. Bereken de concentraties bij evenwicht.
b. Bereken de evenwichtsconstante.