Log in
Sign up for FREE
arrow_back
Library

2p2 proefwerk periode 2 ANW

star
star
star
star
star
Last updated over 4 years ago
46 questions
7
4
6
4
4
4
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Question 1
1.

Draggable itemarrow_right_altCorresponding Item
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
Question 2
2.

Alle levende wezens vertonen levenskenmerken. Welke twee levenskenmerken hebben temaken met zuurstof? Noem ze en leg uit wat dit met zuurstof temaken heeft.

Question 3
3.

Draggable itemarrow_right_altCorresponding Item
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
Question 4
4.

Maak juiste combinaties, gebruik het plaatje.
Wat is de taak van elk deeltje?

Draggable itemarrow_right_altCorresponding Item
4
arrow_right_alt
afweer
3
arrow_right_alt
zuurstof vervoeren
arrow_right_alt
arrow_right_alt
Question 5
5.

Question 6
6.

Question 7
7.

In welk bloedvat kunnen zuurstof en koolstofdioxide door de wand?

Question 8
8.

In welk bloedvat zitten bij een gezond iemand bacteriën?

Question 9
9.

Les 4
Het hart

Let op: Wat op het plaatje aan de rechterkant staat is in het echt links, en omgekeerd. Dat is atlijd zo met plaatjes van het hart.

Vink aan wat klopt

Question 10
10.

Les 4
Het hart

Let op: Wat op het plaatje aan de rechterkant staat is in het echt links, en omgekeerd. Dat is atlijd zo met plaatjes van het hart.

Vink aan wat klopt

Question 11
11.

Question 12
12.

Les 5: grote bloedsomloop, kleine bloedsomloop, zuurstofrijk, zuurstofarm en namen bloedvaten

Wat is waar voor nummer 2?

Question 13
13.

Draggable itemarrow_right_altCorresponding Item
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
arrow_right_alt
Question 14
14.

Question 15
15.

Question 16
16.

Hoe heet het onderdeel van het ademhalingsstelsel dat je op het plaatje ziet? Schrijf alleen het begrip op zonder een lidwoord(de/het/een)

Question 17
17.

Wat is waar?

Question 18
18.

Wat is waar?

Question 19
19.

Question 20
20.

Schrijf het nummer van het onderdeel hieronder op.
Longblaasje

Question 21
21.

Schrijf het nummer van het onderdeel hieronder op.
Luchtpijp

Question 22
22.

Schrijf het nummer van het onderdeel hieronder op.
Luchtpijptak/bronchie

Question 23
23.

Schrijf het nummer van het onderdeel hieronder op.
Long

Question 24
24.

Schrijf het nummer van het onderdeel hieronder op.
Luchtpijptakje

Question 25
25.

Schrijf het nummer van het onderdeel hieronder op.
huig

Question 26
26.

Schrijf het nummer van het onderdeel dat bedoeld wordt

Verbindt de bronchien met de keelholte

Question 27
27.

Schrijf het nummer van het onderdeel dat bedoeld wordt

In dit onderdeel en in de luchtpijp zitten trilhaartjes die slijm uit de longen naar de keelholte brengen.

Question 28
28.

Schrijf het nummer van het onderdeel dat bedoeld wordt

Door dit onderdeel komt cola niet in je neusholte terecht wanneer je het inslikt.

Question 29
29.

In de nierader vind je



Question 30
30.

Waar vindt uitscheiding van urine plaats?

Question 31
31.

In de nierslagader vind je



Question 32
32.

Hier wordt bloed gefilterd en urine uitgescheiden



Question 33
33.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

nierader



Question 34
34.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

nierslagader



Question 35
35.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

urineleider



Question 36
36.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

nierbekken



Question 37
37.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

niermerg



Question 38
38.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

nierschors



Question 39
39.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

nier

Question 40
40.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

urineleider

Question 41
41.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

onderste holle ader

Question 42
42.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

nierslagader

Question 43
43.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

nierader

Question 44
44.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

aorta

Question 45
45.

Kijk naar het plaatje hieronder. Schrijf het nummer op dat hoort bij het onderdeel in de regel hieronder.

blaas

Question 46
46.

Les 1
Maak juiste verbindingen
Kerosine, diesel en benzine zijn voorbeelden van
glucose
Na verbranding ontstaat water en nog een stof namelijk
zuurstof
Bij verbranding heb je een brandstof nodig en
koolstofdioxide
Planten kunnen energie van de zon opslaan, dit heet
energie
Bij verbranding ontstaat nog iets, dit is geen stof maar heeft je lichaam nodig om te kunnen werken, namelijk
fotosynthese
Je doet een kaars in een potje. Je steekt het kaarsje aan en doet de deksel dich. De kaars gaat uit door gebrek aan
brandstoffen
De brandstof van de mens is
zuurstof
Maak juiste combinaties, gebruik het plaatje.

3
rode bloedcellen
b
witte bloedcellen en bloedplaatjes
4
bloedplasma
c
witte bloedcel
1
rode bloedcellen
a
bloedplaatje
2
bloedplasma
1
bloedstolling en wondjes repareren
2
opgeloste stoffen vervoeren
Wat is waar voor een SLAGADER?

Dikke wand
Dunne wand
Bloed stroomt naar orgaan toe
Bloed stroomt van het orgaan af
Hoge bloeddruk
Lage bloeddruk
Zuurstofrijkbloed
Zuurstofarm bloed
Heeft GEEN kleppen
Heeft kleppen
Wat is waar voor een ADER?

Dikke wand
Dunne wand
Bloed stroomt naar orgaan toe
Bloed stroomt van het orgaan af
Hoge bloeddruk
Lage bloeddruk
Zuurstofrijkbloed
Zuurstofarm bloed
Heeft GEEN kleppen
Heeft kleppen
B is de rechterkant van het hart
B is een boezem
B is een kamer
H is de rechterkant van het hart
H is een boezem
H is een kamer
Les 5: grote bloedsomloop, kleine bloedsomloop, zuurstofrijk, zuurstofarm en namen bloedvaten

Kijk naar het plaatje, welke nummers horen wel bij de kleine bloedsomloop?

5
2
8
9
11
3
1
7
2 is zuurstofarm
2 is zuurstofrijk
Les 5: grote bloedsomloop, kleine bloedsomloop, zuurstofrijk, zuurstofarm en namen bloedvaten

Maak juiste combinaties

7
halsslagader
4
halsader
14
leverslagader
1
darmslagader
13
nierslagader
10
aorta
12
onderste holle ader
Wat gebeurt er in het lichtblauwe plaatje? (Links dus, het andere is paars)

De ribben gaan omhoog
De ribben gaan omlaag
Het middenrif gaat omhoog
Het middenrif gaat omlaag
Je ademt in
Je ademt uit
Wat gebeurt er in het paarse plaatje?

De ribben gaan omhoog
De ribben gaan omlaag
Het middenrif gaat omhoog
Het middenrif gaat omlaag
Je ademt in
Je ademt uit
De paarse balletjes zijn koolstofdioxide
Hier gaat zuurstof het bloed uit
Wat is waar?
1 is bloed rijk aan koolstofdioxide
1 is bloed rijk aan zuurstof
4 is bloed rijk aan koolstofdioxide
4 is bloed rijk aan zuurstof
koolstofdioxide verlaat het bloed en het lichaam via de longen
koolstofdioxide gaat het bloed in via de longen
weinig zuurstof en weinig afvalstoffen
weinig zuurstof en weinig afvalstoffen
5
Welke afvalstoffen worden door je lichaam uitgescheiden?
glucose
koolstofdioxide
zuurstof
water
zouten
medicijnen
alcohol