Preskoči na glavni sadržaj
Prijava
Sign up for FREE
arrow_back
Biblioteka

Taal A2 PTO 3

star
star
star
star
star
Posljednje ažuriranje over 4 years ago
48
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
1
1
1
2
2
2
2
2
2
2
2
2
1
1
1
1
0
Pitanje 1
1.

Er is in het Nederlands maar één wederkerig voornaamwoord.

Pitanje 2
2.

Me kan zowel een wederkerend voornaamwoord als een persoonlijk voornaamwoord zijn.

Pitanje 3
3.

Veel is een onbepaald rangtelwoord.

Pitanje 4
4.

Er zijn vier soorten telwoorden.

Pitanje 5
5.

Een nevenschikkend voegwoord kan een bijzin en een hoodzin verbinden.

Pitanje 6
6.

Omdat en doordat zijn voorbeelden van onderschikkende voegwoorden.

Pitanje 7
7.

Een betrekkelijk voornaamwoord wijst terug naar een woord dat eerder genoemd is, het antecedent.

Pitanje 8
8.

Die kan zowel een wederkerend voornaamwoord als een persoonlijk voornaamwoord zijn.

Pitanje 9
9.

Een voorzetselvoorwerp komt alleen voor in een zin met een werkwoord met een vast voorzetsel.

Pitanje 10
10.

Het voorzetselvoorwerp begint altijd met een werkwoord.

Pitanje 11
11.

In een hoofdzin staan persoonsvorm en onderwerp naast elkaar.

Pitanje 12
12.

Een zin kan enkel uit bijzinnen bestaan.

Pitanje 13
13.

Als een Engels werkwoord eindigt met een dubbele medeklinker, schrijven we in het Nederlands een enkele medeklinker.

Pitanje 14
14.

Voor het vervoegen van Engelse werkwoorden in het Nederlands gelden andere spellingregels dan voor Nederlandse werkwoorden.

Pitanje 15
15.

Een zin met twee of meer persoonsvormen noemen we een samengestelde zin.

Pitanje 16
16.

Als je een samengestelde zin vragend maakt vind je de persoonsvormen.

Pitanje 17
17.

Als je een woord uit een zin weglaat kun je een weglatingsstreepje plaatsen om het te vervangen.

Pitanje 18
18.

Bij een klinkerbotsing gebruik je een koppelteken om uitspraakproblemen te voorkomen.

Pitanje 19
19.

Als het tweede woord in een samenstelling begint met een 's', kun je niet goed horen of je een tussen-s moet gebruiken.

Pitanje 20
20.

De juiste spelling is pannenkoek en niet pannekoek.

Pitanje 21
21.

Zowel gebeurt als gebeurd komt in het Nederlands voor.

Pitanje 22
22.

De meeste leerlingen helpen elkaar met huiswerk omdat ze sociaal zijn.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 23
23.

De jongen, van wie iedereen weet dat hij altijd als laatste eindigt, was vandaag nummer twee. Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 24
24.

Het verbaast me hoe weinig jij weet over meneer De Jong die we nu al drie jaar als docent hebben. Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 25
25.

De meeste leerlingen helpen elkaar met huiswerk omdat ze sociaal zijn.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 26
26.

De meeste leerlingen helpen elkaar met huiswerk omdat ze sociaal zijn.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 27
27.

De jongen, van wie iedereen weet dat hij altijd als laatste eindigt, was vandaag nummer twee. Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 28
28.

De jongen, van wie iedereen weet dat hij altijd als laatste eindigt, was vandaag nummer twee. Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 29
29.

Het verbaast me hoe weinig jij weet over meneer De Jong die we nu al drie jaar als docent hebben. Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord.

Pitanje 30
30.

Ik kijk het hele jaar al uit naar de zomervakantie want dan ga ik met familie naar Spanje.

Benoem het voorzetselvoorwerp.

Pitanje 31
31.

Poetin zal zich vroeg of laat moeten neerleggen bij het verliezen van de oorlog. Benoem het voorzetselvoorwerp.

Pitanje 32
32.

Ik ben een enthousiaste docent en moeder die het af en toe best pittig vindt om alle ballen hoog te houden. Deze zin is een:

Pitanje 33
33.

Uit onderzoek blijkt dat tweederde van Nederland het eens is met de versoepelingen rond corona. Deze zin is een:

Pitanje 34
34.

Ik ben al maandenlang tot over mijn oren verliefd op mijn buurmeisje Roos. Deze zin is een:

Pitanje 35
35.

Hij gaat niet naar het feest omdat hij ruzie heeft met Sven.

Is de zin neven- of onderschikkend?

Pitanje 36
36.

Marit houdt van paardrijden en zij gaat iedere zaterdag de hele dag naar de manege.

Is de zin neven- of onderschikkend?

Pitanje 37
37.

Ik (racen) ... bijna net zo hard als mijn vader in de karts.

Pitanje 38
38.

Hij (racen) ... op zijn beurt weer harder dan mijn oom.

Pitanje 39
39.

De laatste keer dat we hebben (racen) ... is door corona al wel lang geleden.

Pitanje 40
40.

Het (gebeuren) ... me iets te vaak dat ik te laat in de les verschijn.

Pitanje 41
41.

Je kunt zeggen wat je wil, maar Anne is dat nog nooit (gebeuren) ... .

Pitanje 42
42.

Schrijf zo kort mogelijk op. Tussentoetsen en pto-toetsen.

Pitanje 43
43.

Schrijf zo kort mogelijk op. Vakantiegeld en vakantiedagen.

Pitanje 44
44.

Selecteer de juiste spelling.

Pitanje 45
45.

Selecteer de juiste spelling.

Pitanje 46
46.

Selecteer de juiste spelling.

Pitanje 47
47.

Selecteer de juiste spelling.

Pitanje 48
48.

Bedenk een zin met het woord bananenschil en een zin met de woorden bananen schil. Dit is een bonusvraag, maak hem in je schrift. Je krijgt er nu geen punten voor.