Vertaal de woorden die tussen haakjes staan. Tradusí e palabra na Inglés.
1 Why are you so _______ (gemeen / desagradabel) to me?
2 My _______ (koffer / maleta) is too full. I can’t close it.
3 We’re going to _______ (vliegen / bula) to Thailand next summer.
4 I like to _______ (ontmoeten / konosé) new people at a party.
5 It’s Greenpeace’s mission to _______ (redden / salvá)the planet.
6 Gigi loves to swim in a _______ (rivier / rio).
7 I will _______ (missen / falta) you when you’re on vacation.
Question 3
3.
Other Answer Choices:
go out
plan
airport
Question 4
4.
Verleden: was / were
Maak zinnen met was / were. Kijk goed naar de zin die er al staat.
Bij + maak je een bevestigende zin. (positive sentence)
Bij – maak je een ontkennende zin. (negative sentence)
Bij ? maak je een vragende zin. (question)
+ Jane was at the concert yesterday.
– _______
? _______
Question 5
5.
Verleden: was / were
Maak zinnen met was / were. Kijk goed naar de zin die er al staat.
Bij + maak je een bevestigende zin. (positive sentence)
Bij – maak je een ontkennende zin. (negative sentence)
Bij ? maak je een vragende zin. (question)n.
+ _______
– _______
? Were they in London last holiday?
Question 6
6.
Verleden: was / were
Maak zinnen met was / were. Kijk goed naar de zin die er al staat.
Bij + maak je een bevestigende zin. (positive sentence)
Bij – maak je een ontkennende zin. (negative sentence)
Bij ? maak je een vragende zin. (question)
+ _______
– We were not at the cinema last weekend.
? _______
Question 7
7.
Verleden: past simple
Maak zinnen met de past simple. Kijk goed naar de zin die er al staat.
Bij + maak je een bevestigende zin.
Bij – maak je een ontkennende zin.
Bij ? maak je een vragende zin.
+ She arrived in New Zealand last week.
– _______
? _______
Question 8
8.
Verleden: past simple
Maak zinnen met de past simple. Kijk goed naar de zin die er al staat.
Bij + maak je een bevestigende zin.
Bij – maak je een ontkennende zin.
Bij ? maak je een vragende zin.
+ _______
– _______
? Did I watch a film last weekend?
Question 9
9.
Verleden: past simple
Maak zinnen met de past simple. Kijk goed naar de zin die er al staat.
Bij + maak je een bevestigende zin.
Bij – maak je een ontkennende zin.
Bij ? maak je een vragende zin.
+ _______
– They did not walk to school yesterday.
? _______
Question 10
10.
Verleden: was / were en de past simple
Maak zinnen in de verleden tijd. Gebruik de woorden tussen haakjes.