participer =
marquer un but =
avoir lieu =
sinds =
de wedstrijd =
tennissen =
le rêve =
Welk woord past in de zin : Tu ............. souvent?
Welk woord past in de zin : Il fait du vélo et il aime ...................
Welk woord past in de zin : ................ lundi, je fais de la natation.
Welk woord past in de zin : ............... cinq fois par semaine
Doe je aan sport?
Ja, ik voetbal.
Waarom?
Paul heeft een hekel aan schaatsen.
Omdat wij van snelheid houden.
Ik doe / maak =
Jullie doen / maken =
Zij doen / maken (mannelijk)
jij doet / maakt